9.4.12

Jan Timman. Schakers. Portretten. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012

  Vroeger waren schakers mythische personen, in ieder geval voor mij, de laatste prototypische genieën: mannen die enorm diep en ver konden denken en elkaar op die denkkracht alleen bestreden, waarna ze zich overgaven aan drank en tabak en vrouwen. Op een bepaald moment kwam daar ook nog de mythe van de gezusters Polgar bij, vooral de jongste, Judit, die door haar vader zo was opgevoed dat ze ook heel sterk was in het schaken.

Misschien was Judit Polgar wel het begin van het einde van de mythe. Haar vader had immers willen laten zien dat iedereen met de juiste opvoeding grote hoogte kon bereiken: maar zo hoor je geen genieën te kweken. Bovendien was zij de voorbode, in ieder geval voor mij, als outsider, van een nieuwere, sportievere kant op het schaken, dat studeren betekende.

En nu komt Jan Timman, schaakbord van mijn jeugd, de man die wereldkampioen zou worden en toen hij dat niet werd in ieder geval 'the best of the west' was, een man met lang haar, in Amsterdam, die nu een boek schrijft met portretten, waarin hij de mythe helemaal in stukken slaat.

Want de tien grootmeesters die Timman in dit boek portretteert zijn toch vooral gewone mensen. Zelfs Bobby Fischer, de grootste mythologische figuur uit de geschiedenis van het schaken, blijkt vooral een briljante schaker die later aan allerlei wanen lijdt, en antisemitisch wordt. Timman heeft ze allemaal gekend en beschrijft ze vooral in de alledaagse omgang van schakers onder elkaar.

Wonderlijk is dat Timman in zijn portretten regelmatig melding maakt van dromen die hij ooit over de desbetreffende persoon heeft gehad. Hij meent kennelijk dat zo'n droom ook echt iets over de persoon zegt. Dat is in ieder geval tekenend: deze portretten zijn vooral memoires van Timman zelf. Aan de hand van zijn oudere en jongere collega's vertelt hij uiteindelijk vooral iets over zijn eigen leven: niet dat van een genie, wel van een interessante tijdgenoot.

Geen opmerkingen: