24.12.15

Richard Dawid. String Theory and Scientific Method. Cambridge: Cambridge University Press, 2015.

Wordt de natuurkunde eindelijk volwassen? Je zou het bijna zeggen, wanneer je Richard Dawids boek over de snaartheorie leest. Het boek buigt zich over de vraag in hoeverre deze natuurkundige theorie nog een wetenschappelijke theorie kan heten; over die kwestie bestaat namelijk sinds enkele jaren een controverse binnen de natuurkunde zelf: een bepaalde groep natuurkundigen verzet zich tegen het feit dat de theorie niet te testen valt tegen (nieuwe) empirische gegevens.

Dawids betoog is helder. Hij zet nauwkeurig uiteen wat het belang is van empirie voor de ontwikkeling van nieuwe wetenschappelijke theorieën; maar even duidelijk laat hij zien dat er ook buiten-empirische criteria gebruikt kunnen worden, zoals de inzichtelijkheid van een theorie, of het feit dat er geen alternatieven is.

En hij vertelt dat zoiets geen nieuws is voor andere vakgebieden. Hij gebruikt de paleontologie als voorbeeld: daar moet je het zo vaak doen met incomplete en nooit meer de completeren gegevens dat de theorieën die je opbouwt op een heel andere manier moeten worden opgebouwd.

Of dat de kritische natuurkundigen zal overtuigen, weet ik niet. Zij kijken soms ook neer op die andere wetenschappen, vanuit het comfortabele standpunt dat het bij hun allemaal beter is, dat er altijd wel een experiment gedaan kan worden. Maar Dawids betoogt dat dit, los van de snaartheorie, voor bepaalde vormen van fundamentele natuurkunde toch al een probleem wordt. De theorievorming is nu zo ver gevorderd dat je om een en ander te testen absurd hoge energieniveaus zou moeten gebruiken. Je kunt dan de tent sluiten, of je kunt overgaan op de criteria van andere wetenschappen.

Ik kan me voorstellen dat niet iedereen Dawids gelooft – hij is immers een filosoof (al is hij ook zeer goed op de hoogte van de moderne natuurkunde), en waarom zou iemand uit zo'n bij uitstek onempirische discipline kunnen uitleggen hoe het moet? Het is toch een beetje een betoog dat uit de theorie uitlegt dat theorie an sich belangrijk is.  Ik vind het trouwens ook jammer dat hij niet erg ingaat op de wetenschapssociologische argumenten die soms tegen de snaartheorie zijn ingebracht: dat de dominantie ervan andere pogingen om tot unificatie te komen tegenhouden, en dat de methode die domineert in de discipline er een is van puzzeltjes oplossen in plaats van wijdse wilde wegen in te slaan. Maar alles bij elkaar is dit toch een interessante studie – ook als je werkt in een andere discipline, waar de relatie tussen empirie en theorie deels weer een heel andere is.

Geen opmerkingen: